← Alle hoofdstukkenTerug naar mijn website

RENATO ROSSI · Lees het boek

Leesinstellingen

Hoofdstuk 6 Mijn vader en de wereld van de mijn

Wanneer mensen mij vragen van wie ik in mijn leven het meest heb geleerd, verwachten velen dat ik ondernemers, uitvinders of mensen noem die mijn professionele loopbaan hebben beïnvloed. Maar de waarheid is veel eenvoudiger. Mijn grootste leermeesters waren mijn vader en mijn moeder. Geen van beiden heeft ooit een boek geschreven. Geen van beiden heeft ooit belangrijke onderscheidingen ontvangen. Het waren eenvoudige mensen. En toch hebben zij mij alles geleerd wat werkelijk belangrijk is. Mijn vader, Antonio Rossi, was een man van weinig woorden. Hij behoorde tot een generatie mannen die hun gevoelens zelden met woorden uitdrukten. Hij stond vroeg op. Hij ging werken. Hij kwam uitgeput thuis. En de volgende ochtend begon alles opnieuw. Als kind leek dat voor mij de normaalste zaak van de wereld. Pas vele jaren later besefte ik dat hij iedere dag opnieuw zijn gezondheid op het spel zette.

Diep onder de grond. In de duisternis. Ver weg van het daglicht. Niet omdat hij van dat werk hield. Maar omdat hij geloofde dat zijn gezin een beter leven verdiende dan het leven dat hij zelf had gekend. Mijn vader had een droom. Niet voor zichzelf. Voor zijn kinderen. Hij zei vaak dat geen van zijn zonen ooit in de steenkoolmijnen zou moeten werken. Dat was zijn grootste overwinning. Niet wat hij verdiende. Maar wat hij ons hoopte te besparen. Mijn moeder, Guglielmina, was heel anders. Waar mijn vader zijn gevoelens vaak verborgen hield, liet mijn moeder haar liefde zien in alles wat zij deed. In de maaltijden die zij voor ons bereidde. In de zorg waarmee zij onze kleren verzorgde. In de manier waarop zij ons troostte wanneer we verdriet hadden. Ze klaagde zelden. En toch had ze duizend redenen om dat wel te doen.

Ze had haar vaderland verlaten. Haar familie achtergelaten. Een dochter verloren. En ondanks alles bleef ze iedere dag opnieuw zorgen voor de mensen van wie ze hield. Pas toen ik zelf volwassen werd, begon ik werkelijk te begrijpen hoeveel kracht daarvoor nodig moet zijn geweest. Mijn ouders hebben mij nooit geleerd hoe ik rijk moest worden. Ze leerden mij hoe ik eerlijk en met waardigheid door het leven moest gaan. Ze hebben mij nooit verteld dat ik iemand belangrijk moest worden. Ze leerden mij dat ieder mens respect verdient. Rijk of arm. Bekend of onbekend. Hoogopgeleid of iemand die nauwelijks kon lezen of schrijven. Later in mijn leven, toen ik de gelegenheid kreeg om aan dezelfde tafel te zitten met bedrijfsleiders, industriëlen en succesvolle ondernemers, heb ik nooit het gevoel gehad dat zij meer waard waren dan de eenvoudige mijnwerker die mijn vader was geweest.

Foto uit het familiearchief

Mijn vader Antonio op De Lindeman.

Dat is een waarde die ik van thuis heb meegekregen. Waarschijnlijk is dat ook de reden waarom ik mij altijd op mijn gemak heb gevoeld, waar ik ook terechtkwam. In een buurtcafé. In een fabriek. In het kantoor van een bedrijfsleider. Of rond een tafel met mensen die ik pas had leren kennen. Ik heb altijd geprobeerd eerst de mens te zien. En pas daarna zijn beroep of positie. Vandaag vraag ik mij soms af hoeveel van mijn ouders nog in mij voortleeft. Ik geloof dat het veel meer is dan ik vroeger besefte. Telkens wanneer ik iemand probeer te helpen. Telkens wanneer ik respect toon voor iemand die weinig bezit. Telkens wanneer ik ervoor kies te luisteren in plaats van zelf te spreken, herken ik iets van mijn vader. Iets van mijn moeder. Ze leven niet alleen voort op oude foto’s. Ze leven voort in alles wat zij mij hebben meegegeven.

En misschien is dat wel de grootste erfenis die ouders hun kinderen kunnen nalaten. Geen geld. Geen bezittingen. Maar waarden. Waarden die van de ene generatie op de andere worden doorgegeven. Als er uit mijn jeugd slechts één gedachte voor altijd bij mij zou mogen blijven, dan zou het deze zijn: Mijn vader leerde mij hoe ik moest werken. Mijn moeder leerde mij hoe ik moest leven. Pas veel later besefte ik dat ik zonder hen beiden nooit de man zou zijn geworden die ik vandaag ben.

Foto uit het familiearchief

Mijn vader met mijn broer Carmine en mij.

Wanneer mensen terugdenken aan hun jeugd, herinneren ze zich vaak de grote gebeurtenissen. Een verjaardag. Een reis. Een feest. Bij mij is dat anders. De herinneringen die mij het meest zijn bijgebleven, zijn die aan de gewone dagen. Dagen waarop niets bijzonders gebeurde. En misschien is het juist daarom dat ze zo kostbaar zijn geworden. Ik zie mijn moeder nog altijd heel vroeg in de ochtend opstaan. Buiten is het nog donker. In huis is alles stil. Alleen het zachte geluid van haar voetstappen doorbreekt de stilte. De koffie staat al te pruttelen voordat iemand anders wakker is. De heerlijke geur verspreidt zich langzaam door het hele huis. Zelfs vandaag is de geur van versgezette koffie genoeg om mij in één ogenblik meer dan zeventig jaar terug in de tijd te brengen. Mijn vader maakt zich klaar om naar de steenkoolmijn te vertrekken. Zijn werkkleren liggen al klaar.

Hij zegt weinig. Dat hoeft ook niet. Iedereen weet hoe zwaar zijn dag zal worden. Mijn moeder kijkt hem even aan. Geen lange woorden. Geen dramatisch afscheid. Alleen een blik. Een blik waarin alles al is gezegd. ‘Wees voorzichtig.’ Misschien werden die woorden nooit werkelijk uitgesproken. Maar ze waren er altijd. Elke ochtend opnieuw. Wanneer de voordeur achter mijn vader dichtvalt, wordt het weer stil in huis. Voor mijn moeder begint de dag echter pas. Het huis moet worden schoongemaakt. De was moet worden gedaan. Er moeten boodschappen worden gehaald. Het eten moet worden klaargemaakt. Er moet voor de kinderen worden gezorgd. In die tijd kende een moeder geen vrije dagen. Geen vaste uren. Geen vakantie. Haar gezin was het werk van haar hele leven. Wij kinderen gingen naar buiten zodra we konden. De straat was onze speeltuin. We verzonnen onze eigen avonturen. Een oude voetbal werd de finale van het wereldkampioenschap.

Foto uit het familiearchief

Het mijnlandschap dat het leven van zoveel gezinnen bepaalde.

Foto uit het familiearchief

Mijnwerkers ondergronds: hard werk, kameraadschap en moed.

Een stukje krijt veranderde het trottoir in een reusachtig speelbord. Een houten kist werd een middeleeuws kasteel. Er was zo weinig nodig om ons gelukkig te maken. Wanneer de zon hoog aan de hemel stond, riep ergens een moeder haar kinderen naar huis. Enkele ogenblikken later klonk de stem van een andere moeder. Hun stemmen galmden door de hele buurt. Niemand vond het vreemd wanneer een buurvrouw een kind terechtwees dat niet eens het hare was. We droegen allemaal een beetje verantwoordelijkheid voor elkaar. Voor ons was dat de normaalste zaak van de wereld. Pas vandaag besef ik hoe bijzonder die manier van samenleven eigenlijk was. Wanneer de avond naderde, wachtte iedereen op hetzelfde moment. De vaders die thuiskwamen. Sommigen hadden nog sporen van zwart kolenstof op hun gezicht. Anderen zagen er doodmoe uit. Maar bijna allemaal hadden ze hetzelfde verlangen. Terugkeren naar hun gezin.

Ik zie mijn vader nog altijd door de voordeur binnenkomen. Het eerste wat hij deed, was zich zorgvuldig wassen. Alsof hij niet alleen het kolenstof van zijn huid wilde verwijderen, maar ook het gewicht van de voorbije dag. Daarna gingen we samen rond de tafel zitten. Er was geen luxe. Geen overvloed. Maar niemand stond met honger van tafel op. Tijdens het eten spraken we over eenvoudige dingen. Over school. Over de buren. Over onze familie in Italië. Soms lachten we. Soms waren we stil. Maar die stilte voelde nooit ongemakkelijk. We waren samen. En dat was genoeg.

Foto uit het familiearchief

De ramp van Marcinelle werd een diepe wond in de Italiaanse gemeenschap.

Foto uit het familiearchief

Rouw en verslagenheid na de mijnramp waarbij 262 mensen omkwamen.

Het is ook een eerbetoon aan al die mannen en vrouwen die hun leven hebben opgebouwd op hoop, moed en opoffering. Aan hen draag ik dit verhaal op. Op 8 augustus 1956 veranderde één ramp het leven van duizenden mijnwerkersgezinnen. In de mijn van Marcinelle, het Bois du Cazier, kwamen 262 mensen om het leven. Onder hen waren 136 Italianen. Ik was acht jaar oud. Marcinelle lag niet naast onze cité. Maar in de wereld van de mijnwerkers bestond afstand op zulke momenten nauwelijks. Iedere mijnwerker had onder de grond kunnen zijn. Iedere echtgenote had op nieuws kunnen wachten. Ieder kind had die avond zonder vader kunnen achterblijven. Ik herinner mij hoe de sfeer tussen de volwassenen veranderde. Er werd zachter gesproken. De vrouwen waren ongerust. Mensen zochten naar nieuws en bleven hopen, terwijl met ieder uur de wanhoop groeide. Wij kinderen begrepen niet alles wat er gebeurde.

Maar kinderen voelen veel meer dan volwassenen soms denken. Wij voelden de stilte. De spanning. De angst die niemand volledig onder woorden wilde brengen. Voor de Italiaanse gemeenschap in België was Marcinelle geen gebeurtenis uit een krant. Het voelde als een ramp binnen één grote familie. De slachtoffers kwamen uit verschillende landen. Ze droegen verschillende namen. Ze spraken verschillende talen. Maar onder de grond hadden ze hetzelfde zware werk gedaan. En boven de grond wachtten mensen op hen die van hen hielden. Mijn vader werkte zelf in de mijn van Zolder. Hij kende de gevaren. Hij wist dat geen enkele mijnwerker ’s morgens met volledige zekerheid kon zeggen dat hij ’s avonds weer thuis zou zijn. Hij had altijd al gehoopt dat zijn zonen nooit onder de grond zouden hoeven te werken. Na Marcinelle werd die wens alleen maar sterker. Zijn kinderen moesten studeren. Zij moesten een ander leven krijgen.

Foto uit het familiearchief

Mijn vader met zijn fiets in de omgeving van de cité De Lindeman.

Niet omdat hij zich schaamde voor zijn beroep. Integendeel. Hij was trots op wat hij door zijn arbeid voor zijn gezin mogelijk maakte. Maar juist omdat hij wist welke prijs de mijn kon vragen, wilde hij ons die prijs besparen. Wanneer ik vandaag aan Marcinelle denk, zie ik niet alleen een getal. Ik denk aan 262 levens. Aan 262 families. Aan moeders, echtgenotes en kinderen voor wie de wereld op één dag voorgoed veranderde. De ramp behoort tot de geschiedenis van België en Italië. Maar ze behoort ook tot de geschiedenis van gezinnen zoals het onze. Ze maakte zichtbaar wat onze ouders iedere werkdag probeerden te verdringen: dat de mijn brood op tafel bracht,

Marcinelle bleef een waarschuwing voor iedere mijnwerkersfamilie: de mijn gaf brood, maar zij beloofde nooit dat alle mannen veilig naar huis zouden terugkeren.