← Alle hoofdstukkenTerug naar mijn website

RENATO ROSSI · Integrale editie

Leesinstellingen

Hoe ver ben je bereid te gaan?

Iedere ondernemer bereikt vroeg of laat een moment waarop hij zichzelf een moeilijke vraag moet stellen:

‘Hoe ver ben ik bereid te gaan?’ In het begin lijkt alles nog eenvoudig. Je hebt een idee. Je werkt met passie. De eerste klanten komen. De eerste successen geven je moed. En iedere stap vooruit bevestigt dat je de juiste weg hebt gekozen. Maar naarmate een onderneming groeit, verandert ook de betekenis van die vraag. Op een bepaald moment gaat het niet langer alleen over je eigen toekomst. Er zijn medewerkers. Gezinnen. Leveranciers. Partners. Mensen die hun vertrouwen in jou hebben gesteld.

Iedere beslissing die je neemt, kan gevolgen hebben voor hun leven. Dat heb ik altijd heel sterk gevoeld. Misschien soms zelfs te sterk. Wanneer we opnieuw moesten investeren, dacht ik niet in de eerste plaats aan de winst die het ons misschien zou opleveren. Ik dacht aan de mensen die op ons rekenden. Ik wilde hen niet teleurstellen.

Daarom bleef ik zoeken. Naar oplossingen. Naar nieuwe mogelijkheden. Naar betere systemen. Zo had ik mijn hele leven gedacht. Wanneer iemand zei dat iets onmogelijk was, begon ik juist op dat moment na te denken. Niet omdat ik wilde bewijzen dat ik gelijk had. Maar omdat ik werkelijk geloofde dat er voor bijna ieder probleem een oplossing bestaat. Die overtuiging had mij al door bijzonder moeilijke periodes geholpen.

Na de zware crisis van 1981 was ik erin geslaagd mijn leven opnieuw op te bouwen. Ik wist waartoe doorzettingsvermogen in staat was. Ik had al eens bijna alles verloren. En toch was ik opnieuw rechtgestaan. Waarom zou het deze keer anders zijn? Die ervaring gaf mij kracht.

Maar misschien deed ze mij ook te lang geloven dat doorzettingsvermogen alleen voldoende was om iedere crisis te overwinnen. Bij Piramedia kreeg de vraag hoever ik bereid was te gaan nog een diepere betekenis. Het ging niet alleen om een onderneming. Het ging ook om Marco. Mijn zoon. Mijn zakenpartner. De jonge man met wie ik een droom deelde. Marco was jong. Vol energie. Vol ideeën. Waar anderen beperkingen zagen, ontdekte hij nieuwe mogelijkheden.

Dat was een eigenschap die ik enorm in hem bewonderde. Soms keek ik zwijgend naar hem. Dan zag ik iets terug van de jonge man die ik zelf ooit was geweest. Maar Marco bezat ook een talent dat mijn generatie nooit op dezelfde manier had leren kennen. Hij begreep computers alsof ze een tweede taal voor hem waren. Hij kon zich mogelijkheden voorstellen die voor de meeste mensen toen nog nauwelijks denkbaar waren.

Vaak luisterde ik terwijl hij mij een nieuw concept uitlegde. Ik begreep niet altijd onmiddellijk ieder technisch detail. Maar ik zag het licht in zijn ogen. Ik hoorde de overtuiging in zijn stem. En ik voelde hoe diep zijn passie was.

Zoiets kun je niemand aanleren. Het komt van binnenuit. Ik wilde die passie niet afremmen. Ik wilde haar beschermen. Ik wilde Marco de kans geven om te ontdekken hoever zijn talent hem kon brengen.

Misschien was dat ook de reden waarom ik soms bereid was verder te gaan dan wat voor anderen redelijk leek. Niet uit roekeloosheid. Maar uit liefde. Liefde voor mijn zoon. Liefde voor onze gezamenlijke droom. En liefde voor iedereen die samen met ons geloofde dat we iets konden opbouwen wat werkelijk een verschil zou maken.

Vandaag begrijp ik dat liefde een mens soms blind kan maken. Niet noodzakelijk blind voor de werkelijkheid. Maar wel voor zijn eigen grenzen. Je blijft tegen jezelf zeggen:

‘Nog één inspanning.’ ‘Nog één investering.’ ‘Nog één stap.’ Omdat je ervan overtuigd bent dat de doorbraak vlakbij is. Soms is dat inderdaad zo. Soms ook niet. Maar wanneer je hart volledig met een droom verbonden is, wordt het steeds moeilijker om te bepalen waar volharding eindigt en waar je jezelf te veel begint op te offeren. Dat onderscheid zag ik toen niet altijd. Ik wist alleen dat ik Marco en de mensen rondom ons niet wilde teleurstellen.

Daarom bleef ik geven. Mijn tijd. Mijn energie. Mijn vertrouwen. En steeds opnieuw een deel van de zekerheid die ik voor mezelf had kunnen bewaren. Van sommige omstandigheden die later ontstonden, heb ik verdriet gehad. Bepaalde keuzes zou ik met de kennis van vandaag misschien anders maken. Maar ik heb nooit spijt gehad van het vertrouwen dat ik in Marco stelde. Evenmin heb ik spijt van de oprechtheid waarmee wij aan onze droom hebben gewerkt.

Iedere avond, wanneer ik de deuren van de Piramide achter mij sloot, wist ik dat wij die dag alles hadden gegeven wat binnen onze mogelijkheden lag. Meer kan een mens op zo’n moment niet doen. Wanneer ik vandaag op die jaren terugkijk, voel ik daarom nog altijd trots. Niet omdat alles is geworden zoals wij hadden gehoopt.

Maar omdat we ons nooit half hebben ingezet. We hebben ons volledig gegeven. We hebben onze droom met heel ons hart beleefd. Dat is tegelijk de grootste kracht en het grootste risico van een idealist. Een idealist denkt niet alleen met zijn verstand. Hij denkt ook met zijn hart. En een hart dat liefheeft, herkent niet altijd zijn eigen grenzen.

Pas veel later heb ik begrepen dat een mens zijn hart niet hoeft te veranderen.

Maar dat hij het soms wel beter moet beschermen. Als ik vandaag opnieuw voor dezelfde keuzes zou staan, zou ik nog altijd in Marco geloven. Ik zou hem nog altijd de kans willen geven zijn talent te ontwikkelen. Ik zou nog altijd bereid zijn offers te brengen voor een droom waarin wij samen geloofden.

Maar misschien zou ik af en toe wat langer stilstaan. Om mijzelf eerlijk af te vragen: ‘Is deze volgende stap nog een daad van moed? Of vraagt de droom inmiddels meer dan wij kunnen blijven geven?’ Die wijsheid bezat ik toen nog niet. Maar het hart waarmee ik die keuzes maakte, zou ik voor niets ter wereld willen verliezen. Want zonder dat hart zou ik nooit de man zijn geworden die ik vandaag ben. Zonder dat hart had ik nooit zoveel mensen ontmoet, geholpen en samengebracht. En zonder dat hart zou ook dit verhaal nooit hebben bestaan.