← Alle hoofdstukkenTerug naar mijn website

RENATO ROSSI · Lees het boek

Leesinstellingen

Hoofdstuk 4 De cité waar ik leerde samenleven

Mijn vroegste herinneringen brengen mij terug naar de mijnwerkerswijk Lindeman in Heusden-Zolder. Wanneer ik vandaag mijn ogen sluit, zie ik geen straten of huizen. Ik zie mensen. Ik hoor het gelach van kinderen. Ik ruik de geur van versgebakken brood. Ik hoor moeders die van de ene voordeur naar de andere naar elkaar roepen. Ik zie de mijnwerkers die, uitgeput na een lange dag diep onder de grond, langzaam naar huis terugkeren. Voor ons, kinderen, was de mijnwerkerswijk de hele wereld. We hadden geen computers. Geen mobiele telefoons. Geen internet. Onze grootste rijkdom was de straat. Urenlang speelden we buiten. Eén voetbal was genoeg om ons een hele namiddag gelukkig te maken. Iedereen kende iedereen. Als een kind iets had uitgespookt, wist zijn moeder het vaak al voordat hij de voordeur had bereikt. Toen vonden we dat soms vervelend. Vandaag begrijp ik hoeveel veiligheid ons dat gaf.

We groeiden niet alleen op binnen ons eigen gezin. We groeiden op als deel van een echte gemeenschap. Mijn vader werkte in de steenkoolmijn. Zoals duizenden andere Italiaanse vaders stond hij iedere ochtend vóór zonsopgang op om af te dalen naar een wereld waar geen zonlicht bestond. Als kind stond ik daar nauwelijks bij stil. Voor mij was het gewoon het werk van mijn vader. Pas veel later begreep ik werkelijk aan welke gevaren hij iedere dag werd blootgesteld. Hij sprak er zelden over. Zoals zoveel mannen van zijn generatie droeg hij zijn zorgen in stilte. Mijn moeder was het hart van ons gezin. Zij zorgde ervoor dat wij, ondanks onze bescheiden middelen, nooit het gevoel hadden iets tekort te komen. Van haar leerde ik dat waardigheid niets met rijkdom te maken heeft. Je kunt heel weinig bezitten en toch zoveel geven. Ik heb haar die waarheid elke dag van haar leven zien voorleven.

In onze straat woonden gezinnen uit verschillende streken van Italië. Iedereen sprak zijn eigen dialect. En toch begrepen we elkaar. Misschien omdat we allemaal dezelfde droom deelden. Onze kinderen een beter leven geven. Ik herinner mij nog altijd de geuren van de zondagochtend. De geur van koffie. Tomatensaus die langzaam op het vuur stond te pruttelen. Vers brood. Zelfs vandaag nog betekenen die geuren voor mij: thuis. De zondag was een bijzondere dag. We trokken onze mooiste kleren aan. Na de mis kwamen de families samen. Er werd gepraat. Er werd gelachen. Soms werd er zelfs gezongen. Niemand bezat veel. En toch voelde niemand zich arm. Als kinderen stelden we daar geen vragen bij. Gelukkig zijn leek gewoon vanzelfsprekend. Een van mijn mooiste herinneringen is die aan onze uitstapjes naar de cinema. Voor slechts enkele Belgische franken konden we verdwijnen in verhalen die ons ver buiten de wereld brachten die wij kenden.

Foto uit het familiearchief

De cité De Lindeman, het eerste thuis dat mij leerde wat samenleven betekende.

Daarna gingen we vaak frieten eten. Het waren eenvoudige momenten. Maar vandaag begrijp ik dat geluk zelden ingewikkeld is. Het was ook in die jaren dat ik misdienaar werd. Ik was nog maar een kleine jongen, maar de kerk vervulde mij met verwondering. Niet alleen door de plechtigheden. Maar ook door de stilte. De kaarsen. De wierook. En het gevoel dat er misschien iets bestond dat groter was dan wat onze ogen konden zien. Op die leeftijd begreep ik dat nog niet. Maar misschien werd er diep in mij toen al een klein zaadje geplant. Het zaadje van de vragen die mij mijn hele leven zouden blijven vergezellen. Wie zijn wij? Waarom zijn wij hier? Bestaat toeval werkelijk? Of schuilt er soms een diepere betekenis achter gebeurtenissen die wij pas vele jaren later ontdekken? Toen kende ik de antwoorden niet. Misschien ken ik ze vandaag nog altijd niet.

Maar één ding weet ik wel. Mijn gevoel van verwondering ben ik nooit kwijtgeraakt. Wanneer ik terugdenk aan mijn jeugd, denk ik niet in de eerste plaats aan bescheiden omstandigheden. Ook niet aan de moeilijkheden. Zelfs niet aan de steenkoolmijnen. Ik denk aan menselijke warmte. Aan solidariteit. Aan mensen die werkelijk naar elkaar omkeken. Misschien is dat wel het grootste verschil tussen toen en nu. Vandaag bezitten we veel meer. Maar soms vraag ik mij af of we elkaar nog werkelijk kennen zoals vroeger. Onze mijnwerkerswijk was misschien klein. Maar ze was groot genoeg om mij enkele van de belangrijkste lessen van mijn leven te leren. Dat respect niet te koop is. Dat vriendschap geen prijs heeft. En dat een mens niet rijk wordt door wat hij bezit, maar door de mensen voor wie hij een plaats maakt in zijn hart. Die lessen hebben mij nooit meer verlaten.

Foto uit het familiearchief

Mijn moeder Guglielmina en mijn vader Antonio op de cité De Lindeman in Heusden-Zolder.

Op de cité leerden wij de waarde van geld zonder dat iemand daar een les over gaf. Voor vijf frank konden wij naar de cinema; voor drie frank kochten wij frieten. Zo’n avond voelde als rijkdom. Wij keken naar het doek, deelden wat wij hadden en liepen daarna door dezelfde straten naar huis. Niemand maakte foto’s van die gewone uitstapjes. Toch zie ik ze scherper voor mij dan veel plechtige gelegenheden van later.

Ons spel was niet altijd onschuldig. Op een dag raakte tijdens het ravotten een touw rond de nek van mijn broer Carmine. Wat een grap leek, werd in enkele seconden gevaarlijk. De schrik kwam pas toen ik begreep wat er had kunnen gebeuren. Ik vertel dit niet om mijn kinderjaren zwaarder te maken, maar omdat ook zo’n fout bij de echte jeugd hoort: wij waren vrij, soms onvoorzichtig, en wij moesten al doende leren waar spel ophield en verantwoordelijkheid begon.

Foto uit het familiearchief

Mijn vader Antonio met twee van zijn zonen op De Lindeman.

Ik was nieuwsgierig en ondernemend, maar zeker geen voorbeeldig kind dat altijd wist wat goed was. Ik kon koppig zijn, te ver gaan en pas achteraf begrijpen wat ik had aangericht. Misschien is juist daar mijn neiging ontstaan om na een fout niet weg te kijken. Schaamte helpt niemand vooruit; eerlijk erkennen wat gebeurde, kan wel het begin van verandering zijn.