← Alle hoofdstukkenTerug naar mijn website

RENATO ROSSI · Integrale editie

Leesinstellingen

Toen ik mijn eerste thuis, mijn cité De Lindeman, moest verlaten

Sommige afscheidsmomenten duren maar enkele minuten. En toch dragen we hun betekenis de rest van ons leven met ons mee. Zo voelde het voor mij toen we mijn cité De Lindeman verlieten. Ik was ongeveer twaalf jaar oud. Voor veel volwassenen ben je dan nog maar een kind.

Maar voor een jongen van twaalf jaar is dat al een hele wereld. Op die leeftijd besefte ik nog niet hoe diep een plaats een deel van jezelf kan worden. Ik wist alleen dat we gingen verhuizen. Mijn ouders hadden daar hun redenen voor. Mijn vader had jarenlang hard gewerkt. Het leven veranderde. Voor ons gezin begon een nieuw hoofdstuk.

Maar als jonge jongen dacht ik daar allemaal niet aan. Ik dacht aan mijn vrienden. Aan de straat waar ik had leren fietsen. Aan de huizen waarvan ik iedere voordeur kende. Aan de vertrouwde stemmen die iedere avond door de buurt klonken. En plotseling moest ik dat allemaal achterlaten. Ik herinner mij die laatste dagen nog goed. Je kijkt nog één keer naar de straat. Naar de bomen. Naar de kerk. Naar de huizen.

Je zegt tegen jezelf dat je ieder detail voor altijd zult onthouden. En toch vervagen veel van die details met het verstrijken van de jaren. Wat overblijft, is het gevoel. We verhuisden naar Luik. Voor mijn ouders was het het begin van een nieuw hoofdstuk. Voor mij voelde het alsof ik een deel van mezelf achterliet. Plotseling hoorde ik andere talen. Ik ontdekte andere gewoonten. Ik ontmoette nieuwe mensen. Ik moest opnieuw mijn plaats zien te vinden.

Op De Lindeman kende iedereen mij. In Luik kende niemand mij, behalve mijn familie. Mijn vader bleef ondertussen in de mijn van Zolder werken. Hij had nog schulden af te betalen die hij had gemaakt om zijn twee oudste zonen, Remo en Mario, op internaat te laten studeren aan een technische school in Seraing.

Daarom bleef hij tijdens de week op De Lindeman. Elk weekend kwam hij naar huis, en iedere zondagavond vertrok hij opnieuw naar De Lindeman om de volgende dag weer in de mijn te gaan werken. Dat bleef hij doen tot 1963. Dat lijkt misschien iets kleins. Maar voor een jongen van twaalf voelt het alsof je opnieuw moet leren ademhalen. Ik ontdekte al snel dat niet iedereen een nieuwkomer met open armen ontving.

Sommige kinderen maakten grapjes over mijn afkomst. Over mijn naam. En vooral over het feit dat ik nog geen Frans sprak. Daarom vroeg ik mijn ouders of ik ook op internaat mocht gaan, in de Ardennen. Ik wilde zo snel mogelijk Frans leren en mijn plaats vinden in die nieuwe wereld. Soms lachte ik met de anderen mee.

Maar diep vanbinnen deden sommige woorden pijn. Niet omdat kinderen van nature wreed zijn. Kinderen herhalen vaak wat ze thuis horen. Dat heb ik pas veel later begrepen. Toch heeft die periode mij iets geleerd wat mij de rest van mijn leven is bijgebleven. Ik leerde hoe het voelt om anders te zijn. En misschien is dat de reden waarom ik er later in mijn leven altijd voor probeerde te zorgen dat niemand zich buitengesloten voelde.

Tijdens mijn professionele leven ontmoette ik mensen uit veel verschillende landen. Die verschillen hebben mij nooit afgeschrikt. Integendeel. Ik heb mij altijd thuis gevoeld tussen verschillende talen en culturen. Misschien omdat mijn jeugd mij al had geleerd dat achter ieder accent een mens schuilgaat. Achter iedere onbekende naam staat een familie. Achter iedere immigrant schuilt een verhaal.

Vandaag hoor ik soms over immigratie spreken alsof het alleen maar om cijfers gaat. Voor mij zijn het geen cijfers. Het zijn gezichten. Het zijn moeders die afscheid nemen. Vaders die hun thuis verlaten.

Kinderen die hun vrienden moeten achterlaten. Ik weet wat dat betekent. Omdat ik het zelf heb meegemaakt.

Toch wil ik niet dat dit een hoofdstuk van verdriet wordt. Want ook Luik heeft mij veel gegeven. Nieuwe vrienden. Nieuwe ervaringen. Nieuwe kansen. En uiteindelijk is het daar dat een groot deel van mijn leven werkelijk begon. Mijn eerste werk. Mijn dromen. Mijn mislukkingen. Mijn overwinningen. Wanneer ik vandaag terugkijk, begrijp ik dat het leven ons soms vraagt iets los te laten voordat het ons iets nieuws kan geven. Ik moest mijn eerste thuis achterlaten om mijn tweede te kunnen vinden.

Dat begreep ik toen niet. Vandaag begrijp ik het wel. En misschien is dat wel het mooiste geschenk dat herinneringen ons kunnen geven. Pas vele jaren later laten ze ons begrijpen waarom bepaalde momenten in ons leven nodig waren. De jongen die De Lindeman verliet, kon onmogelijk vermoeden welke weg nog voor hem lag. En toch zette hij die eerste stap. Niet omdat hij bijzonder moedig was.

Maar omdat het leven hem zachtjes vooruitduwde. En soms is dat precies hoe een nieuw hoofdstuk begint. In 1960 verhuisden wij van mijn cité De Lindeman naar een woning in de omgeving van Luik. Ons nieuwe huis lag naast de spoorwegbedding die in de richting van het station Luik-Guillemins liep. Het station zelf lag enkele kilometers verderop.

Voor mij was alles nog nieuw. De omgeving. De taal. De mensen. En kort na onze verhuizing werd ook het land rondom ons onrustig. In de winter van 1960–1961 begonnen de grote stakingen tegen de Eenheidswet. Ik was twaalf jaar oud. Ik begreep nog niet wat er precies in die wet stond. Ik kende de politieke discussies niet.

Maar ik zag wel wat er vlak bij ons huis gebeurde. Belgische soldaten patrouilleerden dag en nacht langs de spoorlijn. Ze liepen met hun geweer in aanslag. Voor een jongen van twaalf was dat een indrukwekkend en beangstigend beeld. Tot dan toe kende ik soldaten vooral uit verhalen en films. Nu liepen ze vlak bij ons huis. Niet ergens in een ver land.

Maar langs het spoor waar wij iedere dag op uitkeken. Overdag kon ik hun bewegingen volgen. Ook ’s nachts bleef hun aanwezigheid voelbaar. De spoorlijn, die normaal gewoon deel uitmaakte van onze omgeving, kreeg plotseling een andere betekenis. Ze werd bewaakt. Alsof ieder ogenblik iets kon gebeuren. De staking legde grote delen van Wallonië stil. Voor veel arbeiders ging het om hun werk, hun inkomen en hun toekomst. Dat begreep ik pas later.

Als kind zag ik vooral de gevolgen. De spanning tussen de mensen. De onzekerheid. En de gewapende soldaten die langs de rails bleven patrouilleren. Ook binnen ons eigen gezin was zekerheid geen vanzelfsprekendheid. Mijn vader werkte nog altijd in de mijn van Zolder en verbleef tijdens de week op De Lindeman. Wij probeerden ondertussen in Luik een nieuw bestaan op te bouwen. De wereld waarin ik was terechtgekomen, verschilde sterk van de geborgen gemeenschap die ik had achtergelaten.

Op mijn cité kende iedereen elkaar. Hier zag ik hoe snel een samenleving verdeeld en onrustig kon worden. Misschien was dit een van de eerste keren dat ik besefte dat beslissingen van politici niet alleen in vergaderzalen blijven. Ze komen terecht in de straten. In de fabrieken. In de gezinnen. En zelfs langs de spoorlijn voor het huis van een twaalfjarige jongen. Ik wil van deze herinnering geen politieke les maken.

Daarvoor was ik toen te jong en daarvoor zijn de gebeurtenissen te ingewikkeld. Ik vertel alleen wat ik zag. Soldaten. Dag en nacht. Langs het spoor. Met hun geweer in aanslag. Een beeld dat mij na al die jaren nog altijd is bijgebleven. Niet omdat ik toen begreep wat de Eenheidswet betekende.

Maar omdat ik voor het eerst zag hoe de grote geschiedenis plotseling vlak voor je eigen deur kan verschijnen.

Familiefoto uit Mijn Leven
Ikzelf als tienjarige op de cité De Lindeman een jeugdfoto uit de jaren waarin mijn wereld nog klein, maar rijk aan herinneringen was.