← Alle hoofdstukkenTerug naar mijn website

RENATO ROSSI · Integrale editie

Leesinstellingen

De weg naar Italië

Er zijn wegen die je zo vaak hebt afgelegd dat je uiteindelijk iedere bocht uit het hoofd kent. Voor mij was de weg naar Italië zo’n weg. Ik weet niet hoeveel duizenden kilometers ik in mijn leven heb gereden. Misschien honderdduizenden. Misschien zelfs meer. Maar geen enkele kilometer voelde ooit als verloren tijd. Integendeel. Het was vaak tijdens die lange ritten dat mijn beste ideeën ontstonden. Meestal vertrokken we heel vroeg in de ochtend.

Terwijl België nog sliep, reden we de autosnelweg op. In de koffer lagen onze bagage, stalen, catalogi en documenten. En natuurlijk een thermos koffie. Na verloop van jaren hoefde niemand mij nog te vragen welke route we zouden nemen. Ze stond in mijn geheugen gegrift. Luxemburg. Zwitserland. De bergen. De lange tunnels door de Alpen.

En dan... dat onbeschrijfelijke moment waarop we Italië binnenreden. Zelfs vandaag kan ik dat gevoel nog oproepen.

Niet omdat het landschap plotseling volledig veranderde. Maar omdat er iets in mij veranderde. Ik was geboren in de Abruzzen. Telkens wanneer ik opnieuw overal om mij heen Italiaans hoorde spreken, voelde ik iets wat moeilijk onder woorden te brengen is. Alsof een deel van mij eindelijk weer thuiskwam. Marco merkte dat altijd met verwondering.

‘Papa... jij verandert zodra we Italië binnenrijden.’ Misschien had hij gelijk. Zelfs wanneer ik Nederlands sprak, kreeg mijn manier van praten vanzelf een Italiaans ritme. Mijn handen begonnen mee te bewegen met mijn woorden. En wanneer we stopten bij een eenvoudig restaurant langs de autosnelweg, smaakten zelfs een broodje en een espresso anders. We moesten er vaak om lachen.

‘Maar het is toch dezelfde koffie, papa?’ vroeg Marco dan. Ik glimlachte en schudde mijn hoofd. ‘Nee. Dit is Italië.’ Hij barstte in lachen uit. ‘Ik had van jou ook geen ander antwoord verwacht.’ Tijdens die lange ritten spraken we over alles. Over nieuwe projecten. Nieuwe ideeën. Maar ook over onze familie. Over zijn moeder. Over mijn vader. Over Loreto Aprutino. Ik vertelde hem verhalen uit mijn jeugd. Over de boerderij van mijn grootouders. De stoffige straatjes van het dorp. De zomers waarin de hele familie samenkwam. Hij luisterde aandachtig. Soms stelde hij een vraag. Andere keren keek hij gewoon naar het landschap dat aan het raam voorbijgleed.

Ik geloof dat hij tijdens die reizen meer ontdekte dan alleen Italië. Hij leerde ook zijn vader beter kennen. Wanneer we uiteindelijk bij een fabriek aankwamen, voelden we ons nooit vreemden. Na zoveel jaren waren veel fabriekseigenaars vrienden geworden. We begroetten elkaar met warme omhelzingen. We lachten samen. We vroegen hoe het met elkaars familie ging. Pas daarna kwamen de zaken aan bod. Dat is iets wat ik altijd zo mooi heb gevonden aan Italië.

Eerst doe je zaken met de mens. Pas daarna met het bedrijf. Misschien voelde ik mij juist daarom daar altijd zo thuis. Na de vergaderingen volgde bijna vanzelfsprekend een lange lunch. Nooit gehaast. Nooit snel tussen twee afspraken door. Maar rustig, met alle tijd voor een goed gesprek. Ik geloof dat ik rond die tafels minstens evenveel heb geleerd als tijdens de officiële vergaderingen. Want rond een tafel zeggen mensen vaak wat ze werkelijk denken.

Daar ontstaan ideeën. Daar groeit vertrouwen. Daar worden vriendschappen geboren. Wanneer Marco en ik ’s avonds terugkeerden naar het hotel, waren we vaak erg moe. Maar het was een aangename vermoeidheid. Samen blikten we terug op de dag. Wat was goed gegaan? Wat konden we nog verbeteren? En heel vaak eindigden we met dezelfde woorden:

‘Morgen wordt weer een mooie dag.’ Vandaag begrijp ik dat die reizen veel meer waren dan ritten tussen België en Italië. Ze werden een deel van ons leven. Het waren momenten waarop een vader en zijn zoon urenlang met elkaar konden praten zonder gestoord te worden. Momenten waarop nieuwe ideeën ontstonden. Waarop we onze zorgen met elkaar deelden. En waarop stilte soms evenveel betekende als woorden.

Wanneer ik vandaag opnieuw over die vertrouwde wegen naar Italië rijd, overvalt mij soms een vreemd gevoel. De bergen zijn er nog altijd. De tunnels zijn dezelfde gebleven. De restaurants langs de autosnelweg liggen nog waar ze altijd hebben gelegen. Maar de passagiersstoel naast mij is leeg. En toch kijk ik soms nog instinctief naar rechts. Alsof Marco mij ieder ogenblik een vraag kan stellen. Of plotseling kan zeggen:

‘Papa... ik heb weer een nieuw idee.’ En dan glimlach ik. Niet omdat de leegte verdwenen is. Maar omdat hij in mijn herinneringen nog altijd met mij meereist. Want sommige reizen eindigen nooit werkelijk. Ze blijven voortleven in onze herinneringen. En zolang die herinneringen blijven bestaan, blijft een deel van de mensen van wie wij hebben gehouden met ons meereizen.

Misschien is dat wel de mooiste bestemming die een mens ooit kan bereiken.