De mijn was altijd aanwezig
Wanneer mensen terugdenken aan hun jeugd, herinneren ze zich vaak de grote gebeurtenissen. Een verjaardag. Een reis. Een feest. Bij mij is dat anders. De herinneringen die mij het meest zijn bijgebleven, zijn die aan de gewone dagen. Dagen waarop niets bijzonders gebeurde. En misschien is het juist daarom dat ze zo kostbaar zijn geworden. Ik zie mijn moeder nog altijd heel vroeg in de ochtend opstaan. Buiten is het nog donker.
In huis is alles stil. Alleen het zachte geluid van haar voetstappen doorbreekt de stilte. De koffie staat al te pruttelen voordat iemand anders wakker is. De heerlijke geur verspreidt zich langzaam door het hele huis. Zelfs vandaag is de geur van versgezette koffie genoeg om mij in één ogenblik meer dan zeventig jaar terug in de tijd te brengen. Mijn vader maakt zich klaar om naar de steenkoolmijn te vertrekken. Zijn werkkleren liggen al klaar.
Hij zegt weinig. Dat hoeft ook niet. Iedereen weet hoe zwaar zijn dag zal worden. Mijn moeder kijkt hem even aan. Geen lange woorden. Geen dramatisch afscheid. Alleen een blik. Een blik waarin alles al is gezegd.
‘Wees voorzichtig.’ Misschien werden die woorden nooit werkelijk uitgesproken. Maar ze waren er altijd. Elke ochtend opnieuw. Wanneer de voordeur achter mijn vader dichtvalt, wordt het weer stil in huis. Voor mijn moeder begint de dag echter pas. Het huis moet worden schoongemaakt. De was moet worden gedaan. Er moeten boodschappen worden gehaald. Het eten moet worden klaargemaakt. Er moet voor de kinderen worden gezorgd.
In die tijd kende een moeder geen vrije dagen. Geen vaste uren. Geen vakantie. Haar gezin was het werk van haar hele leven. Wij kinderen gingen naar buiten zodra we konden. De straat was onze speeltuin. We verzonnen onze eigen avonturen. Een oude voetbal werd de finale van het wereldkampioenschap. Een stukje krijt veranderde het trottoir in een reusachtig speelbord. Een houten kist werd een middeleeuws kasteel. Er was zo weinig nodig om ons gelukkig te maken.
Wanneer de zon hoog aan de hemel stond, riep ergens een moeder haar kinderen naar huis. Enkele ogenblikken later klonk de stem van een andere moeder. Hun stemmen galmden door de hele buurt. Niemand vond het vreemd wanneer een buurvrouw een kind terechtwees dat niet eens het hare was. We droegen allemaal een beetje verantwoordelijkheid voor elkaar. Voor ons was dat de normaalste zaak van de wereld. Pas vandaag besef ik hoe bijzonder die manier van samenleven eigenlijk was.
Wanneer de avond naderde, wachtte iedereen op hetzelfde moment. De vaders die thuiskwamen. Sommigen hadden nog sporen van zwart kolenstof op hun gezicht. Anderen zagen er doodmoe uit. Maar bijna allemaal hadden ze hetzelfde verlangen. Terugkeren naar hun gezin. Ik zie mijn vader nog altijd door de voordeur binnenkomen. Het eerste wat hij deed, was zich zorgvuldig wassen. Alsof hij niet alleen het kolenstof van zijn huid wilde verwijderen, maar ook het gewicht van de voorbije dag.
Daarna gingen we samen rond de tafel zitten. Er was geen luxe. Geen overvloed. Maar niemand stond met honger van tafel op. Tijdens het eten spraken we over eenvoudige dingen. Over school. Over de buren. Over onze familie in Italië. Soms lachten we. Soms waren we stil. Maar die stilte voelde nooit ongemakkelijk. We waren samen. En dat was genoeg.
Wanneer ik vandaag zie hoeveel gezinnen afzonderlijk eten, zich door hun dagen haasten en hun avonden doorbrengen voor een scherm, vraag ik mij soms af wat we onderweg zijn kwijtgeraakt. We bezaten veel minder. Maar we hadden tijd voor elkaar. Misschien was dat wel onze grootste rijkdom. Als kind kun je je niet voorstellen dat gewone dagen ooit kostbare herinneringen zullen worden. Je denkt dat het leven altijd zo zal blijven. Dat je vader iedere ochtend naar zijn werk zal vertrekken.
Dat je moeder altijd in de keuken zal zijn. Dat het gelach van kinderen nooit zal verstommen. Pas veel later ontdekken we dat juist de meest gewone dagen vaak de kostbaarste zijn. Omdat ze nooit meer terugkomen. En wanneer ik vandaag mijn ogen sluit, hoor ik nog altijd hoe de voordeur zachtjes dichtvalt wanneer mijn vader naar de mijn vertrekt. Ik ruik nog altijd de koffie die mijn moeder lang voor zonsopgang had klaargemaakt.
Het zijn geen grote of buitengewone herinneringen. Het zijn de herinneringen waaruit een heel leven is opgebouwd. Ik ben nooit afgedaald in de steenkoolmijn. En toch heeft de mijn mijn hele leven mee gevormd. Ze was overal. Niet alleen onder de grond. Maar ook erboven. In onze huizen. In onze straten. In onze gesprekken. In de stille bezorgdheid van onze moeders. In de vermoeidheid van onze vaders. Als kind dacht ik dat iedere vader zo leefde.
Dat het normaal was om vóór zonsopgang te vertrekken en pas laat in de namiddag thuis te komen. Ik kende geen andere werkelijkheid. Pas veel later besefte ik hoe uitzonderlijk hun leven eigenlijk was.
Voor ons, kinderen, was de mijn gewoon een woord. Voor onze ouders was ze een dagelijkse werkelijkheid. Iedere werkdag daalden duizenden mannen diep onder de grond af. Ze vertrouwden erop dat ze die avond weer naar boven zouden komen.
Maar niemand kon daar ooit helemaal zeker van zijn. Een instorting. Een gasexplosie. Een defect aan de mijnlift. Een onverwacht ongeval. Iedere werkdag droegen onze moeders die stille angst diep in hun hart. En toch herinner ik mij niet dat ze er voortdurend over spraken. Misschien wilden ze hun kinderen beschermen.
Misschien moesten ze zelf blijven geloven dat alles goed zou komen. Dat was de kracht van hun generatie. Ze droegen hun zorgen in stilte. Wanneer de sirene van de mijn klonk, konden wij haar in de cité horen. Voor ons, kinderen, was het een vertrouwd geluid. Ze hoorde bij het ritme van de dag.
Maar voor de volwassenen betekende ze iets heel anders. De mijn bepaalde hun leven. Hun werktijden. Hun toekomst. Ik herinner mij ook de gezichten van de mannen aan het einde van hun werkdag. Sommigen glimlachten. Anderen zwegen. Bijna allemaal leken ze ouder dan ze werkelijk waren. Hun werk had zijn sporen nagelaten. Niet alleen op hun handen.
Maar ook in hun rug. In hun longen. En in hun ogen. En toch gingen ze door. Niet omdat ze geen dromen hadden. Maar omdat hun dromen de dromen van hun kinderen waren geworden. Mijn vader was een van die mannen. Hij sprak zelden over zijn werk. Niet omdat hij geheimen had.
Maar omdat hij vond dat zijn kinderen het gewicht van zijn vermoeidheid niet hoefden te dragen. Pas vandaag begrijp ik die manier van denken volledig. Nu ook ik terugkijk op mijn eigen leven. Hoe vaak heb ik mijn eigen zorgen verborgen gehouden, zodat mijn gezin ze niet hoefde mee te dragen? Waarschijnlijk veel vaker dan ik ooit heb beseft. In dat opzicht ben ik veel meer op mijn vader gaan lijken dan ik ooit had gedacht.
De mijn gaf onze families werk. Maar ze vroeg daarvoor een hoge prijs. Gezondheid. Kracht. Jaren van een mensenleven. Wanneer ik vandaag naar oude foto’s van mijnwerkers kijk, zie ik hen niet meer met de ogen van het kind dat ik toen was. Als jongen zag ik mannen met gezichten zwart van het kolenstof.
Vandaag zie ik vaders. Echtgenoten. Zonen. Mannen die hun eigen dromen opzijzetten zodat hun kinderen die van hen konden waarmaken. Misschien is dat wel de grootste erfenis van hun generatie. Ze bouwden niet alleen huizen.
Ze bouwden kansen. Mijn leven zou er totaal anders hebben uitgezien als mijn vader niet de moeilijke beslissing had genomen om Italië te verlaten.
Alles wat daarna kwam — iedere ontmoeting, iedere kans, ieder succes, iedere mislukking, mijn liefde voor Dorina, de geboorte van Marco en Michael, mijn werk en mijn levenslange zoektocht naar nieuwe ideeën — is uiteindelijk terug te voeren op die ene moedige beslissing van een jonge man die zijn geboortedorp verliet.
Daarom voel ik vandaag nog altijd zo’n diepe dankbaarheid tegenover die generatie. Niet omdat zij helden wilden zijn. Maar omdat zij, dag na dag, eenvoudigweg deden wat gedaan moest worden.
Zonder applaus. Zonder erkenning. Gewoon uit liefde voor hun gezin. En telkens wanneer ik de titel van mijn boek lees — Mijn Leven - In naam van al mijn dierbaren — besef ik dat het niet alleen een eerbetoon is aan mijn eigen familie.
Het is ook een eerbetoon aan al die mannen en vrouwen die hun leven hebben opgebouwd op hoop, moed en opoffering. Aan hen draag ik dit verhaal op. Op 8 augustus 1956 veranderde één ramp het leven van duizenden mijnwerkersgezinnen. In de mijn van Marcinelle, het Bois du Cazier, kwamen 262 mensen om het leven. Onder hen waren 136 Italianen. Ik was acht jaar oud. Marcinelle lag niet naast onze cité.
Maar in de wereld van de mijnwerkers bestond afstand op zulke momenten nauwelijks. Iedere mijnwerker had onder de grond kunnen zijn. Iedere echtgenote had op nieuws kunnen wachten. Ieder kind had die avond zonder vader kunnen achterblijven. Ik herinner mij hoe de sfeer tussen de volwassenen veranderde. Er werd zachter gesproken. De vrouwen waren ongerust. Mensen zochten naar nieuws en bleven hopen, terwijl met ieder uur de wanhoop groeide. Wij kinderen begrepen niet alles wat er gebeurde.
Maar kinderen voelen veel meer dan volwassenen soms denken. Wij voelden de stilte. De spanning. De angst die niemand volledig onder woorden wilde brengen. Voor de Italiaanse gemeenschap in België was Marcinelle geen gebeurtenis uit een krant. Het voelde als een ramp binnen één grote familie. De slachtoffers kwamen uit verschillende landen. Ze droegen verschillende namen. Ze spraken verschillende talen.
Maar onder de grond hadden ze hetzelfde zware werk gedaan. En boven de grond wachtten mensen op hen die van hen hielden. Mijn vader werkte zelf in de mijn van Zolder. Hij kende de gevaren. Hij wist dat geen enkele mijnwerker ’s morgens met volledige zekerheid kon zeggen dat hij ’s avonds weer thuis zou zijn. Hij had altijd al gehoopt dat zijn zonen nooit onder de grond zouden hoeven te werken.
Na Marcinelle werd die wens alleen maar sterker. Zijn kinderen moesten studeren. Zij moesten een ander leven krijgen. Niet omdat hij zich schaamde voor zijn beroep. Integendeel. Hij was trots op wat hij door zijn arbeid voor zijn gezin mogelijk maakte. Maar juist omdat hij wist welke prijs de mijn kon vragen, wilde hij ons die prijs besparen.
Wanneer ik vandaag aan Marcinelle denk, zie ik niet alleen een getal. Ik denk aan 262 levens. Aan 262 families. Aan moeders, echtgenotes en kinderen voor wie de wereld op één dag voorgoed veranderde. De ramp behoort tot de geschiedenis van België en Italië. Maar ze behoort ook tot de geschiedenis van gezinnen zoals het onze. Ze maakte zichtbaar wat onze ouders iedere werkdag probeerden te verdringen: dat de mijn brood op tafel bracht, maar nooit beloofde de mannen veilig terug te geven. Misschien begreep ik toen nog niet volledig wat dood of verlies betekende. Maar ik begreep wel dat de volwassenen bang waren. En dat de wereld onder onze voeten veel gevaarlijker was dan wij kinderen ooit hadden beseft. Marcinelle heeft mij niet mijn vader ontnomen. Daarvoor ben ik mijn hele leven dankbaar gebleven.
Maar die dag leerde een hele generatie opnieuw hoe kwetsbaar haar bestaan was. Daarom mag dat verhaal nooit worden vergeten. In naam van de mijnwerkers die iedere dag afdaalden. En vooral in naam van hen die nooit meer naar boven kwamen.




