Hoofdstuk 16 Dorina en het huis dat een thuis werd
Toen Dorina en ik in 1971 trouwden, begonnen wij niet met de zekerheid dat alles vanzelf goed zou komen. Wij waren jong, verliefd en bereid om samen een bestaan op te bouwen. Zij was lerares en zocht houvast, regelmaat en veiligheid. Ik was de man die overal mogelijkheden zag en vaak al aan een nieuw plan dacht voordat het vorige helemaal tot rust was gekomen. In het begin vulden die verschillen elkaar aan. Later botsten ze soms.
Ik wil Dorina niet mooier voorstellen dan een mens kan zijn, maar ook niet tekortdoen. Zij heeft niet iedere droom van mij begrepen of gesteund. Soms verlangde zij vooral naar rust terwijl ik opnieuw risico wilde nemen. Ik voelde dat weleens als een rem; zij beleefde mijn gedrevenheid wellicht als een bedreiging voor de zekerheid van ons gezin. Geen van beide gevoelens was onwaar. Wij keken vanuit een andere verantwoordelijkheid naar dezelfde toekomst.
Er zijn momenten in het leven die op het eerste gezicht heel gewoon lijken. Pas vele jaren later beseffen we dat juist op zo’n moment een nieuw hoofdstuk begon. Zo was het ook toen Dorina en ik de sleutel van onze eerste bungalow in onze handen hielden. Vandaag is het voor jongere generaties misschien moeilijk om helemaal te begrijpen wat dat voor ons betekende. Voor ons was het kopen van een eigen huis helemaal niet vanzelfsprekend. We kwamen allebei uit eenvoudige gezinnen. Niemand had ons iets cadeau gedaan. Iedere frank die we konden sparen, was verdiend door hard te werken. Toen we voor het eerst samen, helemaal alleen, ons nieuwe huis binnenstapten, zeiden we weinig. We liepen langzaam van kamer naar kamer. We keken naar de nog kale muren. Naar de ramen zonder gordijnen. Naar de tuin waar nog niets groeide. En toch… Zagen we veel meer dan wat er voor onze ogen stond.
Met mijn beeldschone toekomstige vrouw Dorina in Italië, één jaar voordat wij trouwden.
We zagen onze toekomst. ‘Hier zullen we samen oud worden.’ ‘Hier zullen onze kinderen opgroeien.’ ‘Hier zullen we verjaardagen vieren.’ ‘Hier zullen onze vrienden altijd welkom zijn.’ Het huis was nog leeg. Maar onze dromen vulden iedere kamer al. We hadden geen dure meubels. Geen luxueuze keuken. Geen grote televisie. En dat alles kon ons weinig schelen. Iedere stoel die we kochten, voelde als een kleine overwinning. Iedere kast. Iedere lamp. Iedere bloem en iedere plant die we in de tuin zetten. Alles wat we bezaten, droeg een verhaal met zich mee. Omdat we het zelf hadden verdiend door hard te werken en offers te brengen. Maar al snel werd die bungalow veel meer dan een verzameling muren, meubels en dromen. Hij werd een thuis. Een plaats waar ons gezinsleven werkelijk vorm kreeg.
Maar een thuis wordt niet alleen gevormd door de mensen die er wonen. Ook de mensen rondom ons werden een belangrijk deel van ons leven. We hadden het geluk geweldige buren te hebben. Onder hen waren Jules en Alphonsine. Wat begon als een gewone burenrelatie, groeide uit tot een vriendschap die de tijd zou doorstaan. Meer dan vijftig jaar later zijn we nog altijd bevriend. Wanneer ik daar vandaag bij stilsta, vind ik dat op zichzelf al iets heel bijzonders. Want door de jaren heen hebben we veel meer gedeeld dan alleen een straat of een buurt. We vierden samen feesten. Verjaardagen. We zaten samen rond de tafel. We lachten. Onze kinderen speelden samen en groeiden naast elkaar op. We gingen zelfs samen op vakantie. Naar Italië. Naar Frankrijk. Naar Engeland. Het waren geen spectaculaire reizen die indruk moesten maken op anderen. Het waren reizen van jonge gezinnen die samen van het leven genoten.
Dorina en ik in Italië, één jaar vóór ons huwelijk - jong, verliefd en vol dromen.
De kinderen speelden. Wij praatten. We aten samen. We ontdekten nieuwe plaatsen. En zonder dat we het toen beseften, waren we herinneringen aan het maken die meer dan een halve eeuw later nog altijd zouden bestaan. Misschien waren juist dat onze rijkste jaren. Niet omdat we veel bezaten. Maar omdat we zoveel met elkaar deelden. Wanneer ik vandaag aan die bungalow terugdenk, zie ik daarom niet alleen het huis. Ik hoor de stemmen van de kinderen. Ik zie Marco en Michael. Ik zie Dorina. Ik zie Jules en Alphonsine. Ik zie vrienden rond de tafel. Verjaardagen. Feesten. Vakanties. Lange gesprekken. En al die gewone momenten waarvan je pas veel later begrijpt hoe buitengewoon kostbaar ze eigenlijk waren. Ik denk dat dit de reden is waarom zoveel mensen van mijn generatie zoveel respect hadden voor wat ze bezaten. Niet omdat ze gierig waren. Maar omdat ze begrepen welke inspanningen achter iedere aankoop schuilgingen.
En misschien nog belangrijker: Omdat we leerden dat de waarde van een huis uiteindelijk niet wordt bepaald door wat erin staat. Maar door wat erin wordt beleefd. Wanneer ik vandaag aan die jaren terugdenk, is het daarom niet de bungalow die ik als eerste zie. Ik zie Dorina. Ik zie onze kinderen. Ik zie twee jonge mensen die vol vertrouwen naar de toekomst keken. We spraken over onze kinderen. Over reizen die we ooit zouden maken. Over onze dromen. We geloofden werkelijk dat het leven met ieder voorbijgaand jaar mooier zou worden. En als ik daar vandaag op terugkijk… Was juist dat geloof ons geluk. We konden onmogelijk vermoeden welke onverwachte wendingen het leven nog voor ons in petto had. Dat er momenten zouden komen waarop we helemaal opnieuw moesten beginnen. Dat we tijden van immense vreugde zouden beleven. Maar ook momenten van diep verdriet.
Dorina, mijn eeuwige schooljuffrouw.
Gelukkig laat het leven ons niet vooraf zien wat de toekomst zal brengen. En misschien is dat wel een van zijn grootste zegeningen. Want als we in onze jeugd al zouden weten welke moeilijkheden ons later te wachten staan, zouden velen van ons de moed verliezen om verder te gaan. In plaats daarvan geeft het leven ons iets veel kostbaarders. Hoop. En hoop was de trouwste gast in onze eerste bungalow. Zelfs vandaag, wanneer ik mijn ogen sluit, kan ik nog altijd het geluid horen van die sleutel die voor de allereerste keer in het slot draaide. Het duurde maar enkele seconden. En toch opende die sleutel de deur naar veel meer dan een huis. Naar de kinderjaren van onze zonen. Naar vriendschappen die een leven lang zouden duren. Naar verjaardagen en vakanties. Naar lachen rond de tafel. Naar gewone dagen die later kostbare herinneringen zouden worden.
Naar een leven dat we ons op dat moment alleen nog maar konden voorstellen. Soms vraag ik mij af of geluk niet veel eenvoudiger is dan we denken. Misschien begint geluk niet met grote rijkdom. Misschien begint het op de dag waarop twee mensen de moed vinden om elkaar aan te kijken en te zeggen: ‘Dit… wordt ons thuis.’ En misschien ontdek je pas vele jaren later wat dat kleine woord werkelijk betekende. Thuis was nooit alleen het huis. Thuis waren de mensen die er samen met ons een leven van maakten.
Jules en Alphonsine, al meer dan vijftig jaar onze dierbare vrienden.
Onze liefde bestond daarom niet alleen uit tedere foto’s. Zij bestond ook uit misverstanden, teleurstellingen, verzoeningen en het dagelijkse werk van blijven. Dorina stond naast mij in goede jaren en in jaren waarin ons huis vol zorgen was. Na het verlies van Marco rouwden wij niet altijd op dezelfde manier. Ik wilde spreken, zoeken en schrijven; zij droeg veel in stilte. Ook daarin moesten wij leren dat twee mensen van hetzelfde kind kunnen houden en toch verschillend met hetzelfde verdriet omgaan.
Wat ons verbindt, is niet het verhaal van een volmaakt huwelijk. Het is een gedeeld leven: onze zonen, de huizen waarin wij woonden, de rekeningen die betaald moesten worden, vrienden aan tafel, ruzies die gingen liggen, ziekten, reizen, verlies en de gewone ochtenden waarop wij toch weer samen opstonden. Die trouw is minder opvallend dan verliefdheid, maar na zoveel jaren misschien nog kostbaarder.