← Alle hoofdstukkenTerug naar mijn website

RENATO ROSSI · Lees het boek

Leesinstellingen

Hoofdstuk 32 De laatste maanden van een vechter

De eerste zware stemmingsproblemen werden zichtbaar nadat Piramedia tussen 1995 en 1998 door een negatieve periode was gegaan. Wij zagen overbelasting, teleurstelling en uitputting. Wat wij toen nog te vaak als een reactie op zakelijke druk probeerden te begrijpen, bleek deel van een veel dieper psychisch lijden. De bipolaire problematiek veranderde niet wie Marco was, maar zij beïnvloedde wel hoe hij hoop, schuld, energie en wanhoop beleefde.

Na onze terugkeer uit Egypte begon hij opnieuw in de Glazen Piramide in Lummen. Computers gingen aan, plannen werden hernomen en er kwamen weer mensen over de vloer. Aan de buitenkant leek dat een wedergeboorte. Als vader wilde ik geloven dat nieuw werk hem opnieuw houvast zou geven. Tegelijk bleven de financiële druk en de broze verhoudingen om hem heen bestaan. Zijn energie kon indrukwekkend zijn, maar was niet hetzelfde als herstel.

In die periode was er ook een pijnlijke confrontatie met Nadia waarbij de politie betrokken raakte. Ik vermeld dat voorzichtig, omdat ieder betrokken mens die gebeurtenis vanuit zijn eigen angst en verdriet heeft beleefd. Dit boek is geen rechtbank. Wat ik als vader zag, was dat de afstand rond Marco groter werd op een ogenblik waarop hij juist verbinding nodig had. Hij voelde zich verantwoordelijk, beschaamd en steeds eenzamer.

Maar diep in mij groeide ook een gevoel van ongerustheid. Het was alsof Marco zichzelf geen enkel moment van rust meer gunde. Hij werkte dag en nacht. Hij wilde bewijzen dat het nog altijd mogelijk was. Dat onze ideeën nog steeds een toekomst hadden. Dat al het werk dat we door de jaren heen hadden verricht niet voor niets was geweest. Ik bewonderde zijn moed. Maar als vader begon ik mij steeds meer zorgen te maken. Niet omdat ik aan zijn capaciteiten twijfelde. Integendeel. Ik wist precies waartoe hij in staat was. Wat mij zorgen baarde, was de prijs die hij ervoor betaalde. Steeds vaker zag ik de vermoeidheid in zijn ogen. Hij bleef glimlachen. Hij bleef plannen maken. Maar de uitputting werd steeds moeilijker te verbergen. En toch sprak hij er nauwelijks over. Zo was hij. Hij wilde ieder probleem zelf oplossen. Hij wilde voor niemand een last zijn.

Zelfs niet voor mij. Meer dan eens probeerde ik hem duidelijk te maken dat hij niet alles alleen hoefde te dragen. Dat ieder mens het recht heeft om toe te geven wanneer het leven te zwaar wordt. Maar zijn antwoord was bijna altijd hetzelfde. ‘Papa… laat mij het nog een beetje langer proberen.’ Vandaag breekt vooral dat ene woord mijn hart. Langer. Want hij bleef het werkelijk proberen. Hij voelde zich niet alleen verantwoordelijk voor het slagen van onze projecten. Hij voelde zich verantwoordelijk voor de mensen die naast hem werkten. Voor de investeringen. Voor de verwachtingen. Voor de beloften die hij had gedaan. En misschien nog meer dan voor al het andere… voor de dromen die hij zelf had gecreëerd. Achteraf begrijp ik beter hoe zwaar die verantwoordelijkheid op hem drukte.

Rond 20 augustus 2009 vonden Marco en ik elkaar opnieuw in een gesprek. Niet alles werd opgelost. Sommige woorden bleven voorzichtig, alsof wij allebei bang waren een broze brug te zwaar te belasten. Maar onder die woorden lag wat altijd sterker was geweest dan onze meningsverschillen: de band tussen vader en zoon. Ik hield van hem en hij wist dat. Hij hield van mij en ik wist dat. Die zekerheid is sindsdien tegelijk mijn troost en mijn wond. Onze laatste verbinding was er een van liefde; toch kon die liefde hem niet bevrijden uit de kamer waarin zijn wanhoop hem had opgesloten.

Wanneer ik aan die laatste maanden terugdenk, zie ik geen nederlaag. Ik zie hoe lang hij probeerde overeind te blijven, vaak voor iedereen behalve zichzelf. Ik wou dat ik hem nog één keer had kunnen tegenhouden, zijn gezicht tussen mijn handen had kunnen nemen en zeggen: ‘Marco, je hoeft vandaag niets te redden. Geen onderneming, geen droom, niemand. Laat ons jou dragen.’ Die zin kwam te laat voor zijn oren. Daarom schrijf ik hem nu.